vrijdag 30 maart 2018

Tentoonstelling Marisa Merz in het Serralves museum

In het Serralves museum in Porto is een prachtige tentoonstelling te zien van de Italiaanse kunstenares Marisa Merz.

Zij werd geboren in 1926 in Turijn. In de jaren '50 ontmoette ze Mario Merz, ook een kunstenaar, waarmee ze zou trouwen.

Marisa Merz en haar man hoorden bij de Arte Povere beweging, een kunststroming in Italie uit de jaren '60 en '70, waarbij installaties van eenvoudig materiaal werden gemaakt. Een kunstwerk was niet per se iets blijvends, maar kon ook vergankelijk zijn of slechts tijdelijk.

Marisa Merz wilde de grens tussen kunst en gebruiksvoorwerpen verkleinen, en dit deed ze door het gebruik van alledaags en simpel materiaal, maar ook door de kunstvoorwerpen te gebruiken. Zo heeft ze schoentjes gebreid die ze ook daadwerkelijk zelf heeft gedragen, voor ze in een tentoonstelling terecht kwamen.

Ze heeft verschillende grote solo tentoonstellingen gehad, al kwam haar roem vooral na de jaren '70.

De tentoonstelling The sky is a great space is al eerder in de Verenigde Staten te zien geweest, in New York en Los Angeles. Voor deze tentoonstelling in Europa werken het Serralves museum in Porto en het Museum der Moderne in Salzburg samen.

De tentoonstelling is niet chronologisch opgebouwd, maar laat impressies van haar werk zien. Van de grote aluminium sculptuur uit 1966 die haar eerste grote werk was tot de kleine hoofdjes van klei die ze vanaf de jaren '80 maakte.


Ik kende Marisa Merz niet, maar vanaf het allereerste schilderij dat ik zag, vond ik haar werk erg mooi. Vooral de combinatie van verschillende vormen van kunst en diverse materialen maken het heel apart en bijzonder. Er zijn schilderijen, tekeningen, sculpturen en beeldhouwwerken te zien, maar vooral de combinatie van sommige objecten maken het zeer interessant om naar te kijken.

Het is altijd leuk om een kunstenaar te ontdekken die je nog niet kent en vervolgens onbevooroordeeld op zo'n tentoonstelling rond te lopen en te zien, maar vooral te voelen, wat je aanspreekt. Want bij een aantal kunstwerken kan ik het niet verklaren waarom ik het mooi of interessant vind, daarvoor heb ik er gewoon te weinig verstand van om dat te kunnen analyseren. Maar dat hoeft gelukkig niet in de weg te staan dat je er heel erg veel van geniet.



The sky is a great place is nog tot 22 april 2018 in het Serralves museum in Porto te zien.

maandag 26 maart 2018

Louteringsberg, Thomas Merton

Thomas Merton was de zoon van een schilder uit Nieuw Zeeland en een Amerikaanse en werd in Frankrijk geboren in 1915. Hij had geen heel honkvaste jeugd, zijn moeder overleed toen hij nog maar zes jaar oud was en zijn vader reisde rond om te schilderen. 

Zo woonde Thomas in de Verenigde Staten, Bermuda, Engeland en Frankrijk waar hij soms diep ongelukkig was op de verschillende scholen waar hij op zat, maar ook heel goed werd in talen.

Toen zijn vader overleed in 1931 bleef Thomas in Engeland. Na zijn schooltijd begon hij met een studie aan de universiteit van Cambridge. Hier ging hij echter na een jaar weer weg en toen vertrok hij naar de Verenigde Staten. 

Hij studeerde Engels in New York aan de Columbia universiteit, en stortte zich in het moderne, jachtige leven. Films, jazz, sigaretten en heel veel drank, met een vleugje communisme en wat verkeerd begrepen Freudiaanse ideeën vormden de basis van zijn bestaan.

Tijdens een vakantie naar Rome kwam Thomas erachter dat het klassieke Rome hem niet zoveel zei, maar de vele mooie kerken des te meer. Hij was niet echt religieus opgevoed, hoewel zijn vader wel gelovig was en zijn moeder een quaker achtergrond had. Langzamerhand begon het idee door te dringen dat in deze katholieke kerken iets te vinden is, dat hij in zijn eigen leven niet had. Hij zou hier wel meer van willen, maar tegelijkertijd schrok hij van deze gedachten en stopte hij ze ver weg. De eerste stappen op de Louteringsberg waren echter gezet.

Terug in Amerika liet het geloof hem niet los. Hij begon verschillende boeken te lezen en probeerde een aantal kerken uit, maar keerde telkens terug bij de katholieke kerk. In 1939 werd hij hierin opgenomen. 

Daarmee was het voor Thomas Merton nog niet voldoende, hij besefte dat hij in een klooster wilde intreden. In de eerste instantie was dit verlangen nog niet heel diepgaand. Aan de ene kant voelde hij wel iets voor de strenge Trappisten, maar hij schrok hier ook voor terug en besloot in een minder strenge orde in te treden omdat hij dacht dat hem dat gemakkelijker af zou gaan. 

De Franciscanen wezen zijn aanvraag echter af en uiteindelijk zou Thomas Merton in 1941 toch toetreden tot de orde der Trappisten, waar hij tot zijn dood in 1968 zou blijven.

Het verhaal van zijn leven verscheen in 1948 en werd een grote bestseller, tot op de dag van vandaag is het in druk en er zijn miljoenen exemplaren van verkocht.
Thomas Merton (1915-1968)
Dit is niet gebruikelijk voor een boek dat gaat over iemand die zich bekeert tot het katholieke geloof. Veel mensen zal dit onderwerp op het eerste oog misschien niet erg aanspreken, maar de kracht van Merton is dat hij je weet mee te nemen op zijn reis en het aannemelijk weet te maken dat dit voor hem de juiste keuze was. En dat maakt het een meeslepend boek.

Hij schreef het boek op aanraden en met goedkeuring van zijn abt, maar het moest natuurlijk ook gekeurd worden door de andere Trappisten. Tenslotte was Thomas Merton geen individu meer, maar een monnik binnen de orde. En daardoor is deze autobiografie behoorlijk gecensureerd, zo blijkt. Thomas vertelt dat hij na een jaar de universiteit van Cambridge verliet, maar de werkelijke reden (hij had een relatie met een meisje en daar was een kind van gekomen), kon niet genoemd worden.

Ik had de Engelse versie van het boek, Seven storey mountain, maar ik merkte dat ik bepaalde ideeën en theologische overwegingen in het Engels moeilijk te volgen vond, vandaar dat ik tweedehands een Nederlandse vertaling heb gekocht die ik achter elkaar heb gelezen en waar ik erg van heb genoten.

Ja, het is een verhaal over een religieuze bekering, maar het is vooral het verhaal van een jonge man die zoekt naar zingeving en die uiteindelijk vindt op een plek waar hij het nooit had verwacht. Een plek die volkomen is tegengesteld aan wat hij had gedacht, maar waarvan hij ook weet dat hij hier een waarheid vindt die hij nergens anders kan vinden.

Ik vond een aantal punten erg herkenbaar, zoals de schroom die hij beschrijft als hij voor het eerst in een katholieke kerk bidt, uit angst iets fout te doen en eruit gezet te worden.

Thomas Merton was een gedreven man die het zichzelf en zijn omgeving niet altijd gemakkelijk zal hebben gemaakt. Hij had zat slechte eigenschappen, maar was ook oprecht op zoek naar iets hogers en beters. En dat heeft hij gevonden.

Zijn kloosterleven en de rest van zijn jaren zijn ook bijzonder interessant geweest, maar daar gaat Louteringsberg verder niet over. Gelukkig is er een paar dagen geleden een nieuwe biografie over hem uitgekomen, waarin deze jaren wel aan bod komen. Jullie begrijpen dat ik deze biografie ondertussen al in huis heb!

Ik ben in ieder geval blij dat ik Louteringsberg nu eens gelezen heb en vond het een inspirerend boek dat tot nadenken stemt. Niet slecht voor een boek dat zeventig jaar geleden uitkwam.

Oorspronkelijke titel: Seven storey mountain, 1948
Deze Nederlandse versie uitgegeven door uitgeverij Het spectrum in 1949
Nederlandse vertaling: Andre Noorbeek
Bladzijdes: 371

vrijdag 23 maart 2018

Vijf op vrijdag: 5x Porto (tweede keer)

Vorige week was ik voor de tweede keer op uitwisseling naar Porto. Met een collega en 24 leerlingen waren wij 8 dagen te gast in deze mooie stad. Een vermoeiende week, maar gelukkig is alles vrij goed gegaan, op wat kleine incidenten na (maar die heb je altijd).

Het weer was helaas niet zo mooi als vorig jaar, maar aan de andere kant had het ook élke dag de héle dag kunnen plenzen. En in het weekend was het wel droog en scheen de zon volop, dus echt klagen mogen we niet.

Hier opnieuw vijf mooie foto's om even wat indrukken van Porto te geven.
De magnolia's zijn al zover uit, en het was nog maar half maart!

Het ijkpunt in de stad, de Torre dos Clerigos

De Atlantische Oceaan blijft prachtig. 

Klimmen en dalen, klimmen en dalen. 

Huizen aan de Ribeira, de kade langs de rivier de Douro

maandag 19 maart 2018

Het ministerie van opperst geluk, Arundhati Roy


Wat hebben een travestiet, een oude imam, een tot Moslim bekeerde Hindoe die zich Sadam Hoessein noemt, een aangenomen dochter, een gevonden baby en een vrouw die de liefde van haar leven verloren heeft met elkaar te maken? 

Zij vormen de spil van Het ministerie van Opperst geluk, een geweldige leeservaring, overdonderend en kleurrijk als India zelf is. Het sleurt je mee naar het rauwe leven in de straten van India, vol armoede en geweld, maar ook vol liefde en genegenheid, grappig situaties en respect voor elkaar.

Het verhaal begint met Anjum die haar intrek neemt op de oude Moslimbegraafplaats van Delhi. Zij is haar leven begonnen als jongen, maar met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtskenmerken. 

Anjum is wat men in India een Hijra noemt, een vrouw die een man is, of een man die een vrouw is. In ieder geval iemand die buiten de gewone regels van de samenleving staat en zich daardoor wel wat kan veroorloven, maar tegelijkertijd door de gewone wereld niet altijd serieus wordt genomen. 

Zij woonde in Delhi in een gemeenschap van andere Hijra’s, maar nadat ze een verschrikkelijke gebeurtenis heeft meegemaakt kan ze zich niet meer voegen in haar leven daar en vertrekt ze, naar de begraafplaats waar ze voor zichzelf een schuilplek, een woninkje creëert.

En al snel voegen andere mensen zich bij haar, mensen die net als zij heel wat hebben meegemaakt en langzamerhand wordt de begraafplaats een soort vrijhaven voor verschoppelingen die daar in een sfeer van wederzijds respect zichzelf weer een beetje kunnen vinden.

Voeg bij dit alles een geit die zestien offerfeesten wist te overleven, een gemeenschap travestieten en transgenders, een paard, opstandelingen in Kashmir, hindoes, politici, moslims, Sikhs, communisten, het hoofd van de Geheime Dienst, een journalist die links lijkt, maar rechts doet, een ondervrager die marteling niet schuwt, en dan heb je nog geen idee waar dit boek over gaat.

Het ministerie van opperst geluk is niet altijd een gemakkelijk boek om te lezen. Er gebeurt veel, er komen veel mensen in voor en het verhaal is niet bepaald lineair. Je moet dus eigenlijk de tijd hebben om dit boek achter elkaar te lezen. Als je steeds kleine stukjes leest met een lange tijd ertussen is er een grote kans dat je de draad een beetje kwijtraakt.

Vooral op tweederde van het verhaal wordt de structuur van het verhaal losgelaten en staat er heel veel door elkaar; verhalen, verslagen, beschrijvingen van verschillende mensen die op het eerste oog weinig met elkaar te maken hadden. Maar uiteindelijk blijkt ook dit zijn functie te hebben en laat het de chaos zien die er heerst, om uiteindelijk de draden weer heel mooi met elkaar te verbinden.

Ik heb bij een boek als deze de neiging om precies te willen weten hoe de historische en politieke situatie in elkaar steekt, zodat ik die achtergrond precies voor ogen heb en ik daardoor situaties en mensen beter kan plaatsen.

De geschiedenis van India vind ik bijzonder interessant en ik mag er graag over lezen. Ik wist dus wel iets van de situatie in India, de rijke oude cultuur, de problemen die er zijn tussen Hindoes en Moslims, het kastensysteem, de armoede en de corruptie.

De situatie in Kashmir was niet zo bekend voor mij, maar die speelt wel een grote rol in dit boek.

Bij de onafhankelijkheid van India in 1947 werd India verdeeld in India voor de Hindoes en Pakistan voor de Moslims. Pakistan zou later nog verdeeld worden in Pakistan en Bangladesh. Een regio in het noorden, Kashmir, was grotendeels automoom en mocht zelf kiezen of ze bij Pakistan of India wilde horen.

Voor Pakistan hoorde Kashmir bij Pakistan, omdat het grootste deel van de bevolking moslim was. Toen het echter nogal lang duurde voor de maharadja een keuze maakte (hij was zelf Hindoe), viel Pakistan binnen, waarop de maharadja India te hulp riep. Het resultaat was een flinke oorlog en een verdeeld Kashmir, een helft werd door Pakistan en de andere door India bestuurd. De onlusten zijn sindsdien regelmatig opgelaaid, vooral weer sinds 1999, met verschrikkelijk geweld en buitensporige wreedheden aan beide kanten.

Het is het verschrikkelijke geweld waar veel personages mee te maken krijgen dat me soms heel erg schokte, omdat ik besefte dat dit geen truckje is van de schrijfster om een schokeffect te bereiken. Het is echter waar de mensen in India in het algemeen en in Kashmir in het bijzonder mee te maken hebben. Dagelijkse kost, zou je bijna kunnen zeggen.

Tegelijkertijd is het ontzettend grappig en komen er heel veel komische situaties in het boek voor. Ook de manier om sommige dingen te beschrijven is heel grappig. Dit is echter ook nodig, omdat het anders een onleesbaar boek zou zijn geworden, met alleen maar doffe ellende.

En het is geen boek over doffe ellende, juist niet. Het ministerie van opperst geluk is eigenlijk een ode aan de menselijke veerkracht. Ondanks wat mensen meemaken aan geweld en verdriet, is er ook altijd weer ruimte voor vriendelijkheid, liefde, respect voor elkaar en opnieuw kunnen beginnen.

Ontroerend en heel treffend vond ik bijvoorbeeld de laatste stukken in het boek waarin iedereen elkaar helpt om verder te gaan. Ze kunnen allemaal dingen uit het verleden loslaten, en zo worden er begrafenissen gehouden voor een vermoorde vader uit de kaste van de onaanraakbaren, een vrouw uit de elite en een communiste. En ieder krijgt daarbij het passende ritueel. Dit laat zien dat verschillen tussen mensen vooral politiek zijn en dat menselijkheid uiteindelijk altijd het belangrijkste is.

Lees hier trouwens wat Hella van dit boek vond. 

Originele titel: The ministery of utmost happiness (2017)
Nederlandse uitgave 2017 door uitgeverij Prometheus
Nederlandse vertaling: Tjadine Stheeman
Bladzijdes: 415

vrijdag 16 maart 2018

3x Edith Piaf

Toen ik een jong meisje was, hadden mijn ouders een LP van Edith Piaf. Ik kan me nog zo de mat-zwarte hoes voor de geest halen en weet ook nog hoe die aanvoelde (je kreeg zwarte vingers omdat de verf afgaf). 

Ik verstond natuurlijk geen Frans toen ik zeven was, maar ik weet wel dat ik de plaat op mijn kamertje draaide omdat ik de liedjes mooi vond klinken.

Kort geleden heb ik de film La vie en rose (2007) gekeken met de geweldige Marion Cotillard als Edith Piaf. Ik keek de film zonder er veel van te verwachten, maar ik was diep onder de indruk. Niet alleen van het spel van Marion Cotillard, maar vooral van het trieste leven van Edith Piaf.

Geboren in 1915 groeide ze praktisch op op straat. Haar moeder was een zangeres die haar dochter in de steek liet, haar vader bracht haar eerst onder bij zijn eigen moeder die een bordeel dreef, maar nam haar daarna mee naar zijn eigen optredens als acrobaat. De kleine Edith zong als haar vader zijn kunsten vertoonde en al snel werd dit een extra attractie die geld in het laadje bracht.

Ze zong vooral op straat en werd in 1935 ontdekt. Vanaf dat moment zou het snel gaan, optredens in nachtclubs, plantencontracten en concerten. Toch was haar privéleven niet bepaald gelukkig. Haar enige dochtertje overleed aan hersenvliesontsteking, de liefde van haar leven Marcel Cerdan kwam om bij een vliegtuigramp in 1949 en zelf werd ze geplaagd door een reumatische pijnen, verschrikkelijke verlegenheid en de gevolgen van alcoholisme.
Edith Piaf (1915-1963)
Ze had geen besef van geld en gaf gul aan iedereen die het nodig had, gevoel voor huiselijkheid of gezelligheid had ze niet (maar van wie had ze dat ook moeten leren) en hoewel ze goed voor haar vrienden zorgde, kon ze die ook laten vallen als ze meer succes kregen dan zijzelf.

In 1963 overleed ze, nog maar 47 jaar oud.

De film La vie en rose laat dit trieste leven heel goed zien. Het is geen lineaire biografie, maar schakelt heen en weer tussen het einde van haar leven en hoe ze zover is gekomen. De scene waarin ze voor het laatst optreedt en Non je ne regrette rien zingt is adembenemend mooi en ontroerend.

Het werk dat Edith Piaf tijdens de Tweede Wereldoorlog deed voor het verzet komt in de film niet aan bod, maar misschien had dat de film te lang gemaakt. Ondanks dat gemis, vond ik het een van de mooiste films die ik ooit gezien heb.
Uitgegeven in 2013 door uitgeverij Aspekt
Maar als ik dan zo’n film heb gezien, wil ik natuurlijk meer weten, dus ik heb een boek over haar gekocht, geschreven door Wim Zaal

In deze korte biografie vertelt hij niet alleen over haar leven, maar probeert hij ook te analyseren waarom we Edith Piaf nog altijd kennen, terwijl zoveel andere Franse chanson zangers zijn vergeten. 

Een interessant boek dat ook de vele leugens en mythes die er rond haar leven zijn gesponnen probeert door te prikken. Edith Piaf was geen heilige en dit is gelukkig geen Heiligenleven.

En als je dan de film en het boek hebt, kan de muziek natuurlijk niet ontbreken. Ik heb nu een cd met een groot deel van haar oeuvre. 
Prachtige dubbel-cd
Ik heb trouwens het idee dat dit de digitale versie is van de LP die wij vroeger thuis hadden. De afbeelding op de hoes is hetzelfde en ook de volgorde van de liedjes komt mij heel bekend voor, al is het dan 35 jaar geleden dat ik daar naar luisterde. En opnieuw ben ik ontroerd en onder de indruk van de geweldige stem die uit dit kleine vrouwtje kwam en de liedjes over Parijs en het leven op straat en waarin zoveel van haar eigen leven verwerkt was. 

En zo is dan de cirkel rond. 

maandag 12 maart 2018

Terug naar de rue Darwin, Boualem Sansal

Yazid vertrekt met zijn doodzieke moeder van Algiers naar Parijs, in de hoop dat er nog iets voor haar gedaan kan worden. In het ziekenhuis verzamelen alle kinderen van moeder zich. 

Allemaal hebben ze een mooie carriere in het buitenland opgebouwd, alleen Yazid is in Algerije gebleven om voor moeder te zorgen en om de gebeurtenissen in het land gade te slaan.

En er gebeurt nogal wat in Algerije, het begint als de Fransen nog de baas zijn en gaat via de onafhankelijkheidsoorlog naar verschillende burgeroorlogen en een streng Islamitisch bewind.

Dat is de achtergrond van de levensgeschiedenis van Yazid. Hij groeide op bij zijn grootmoeder, te midden van een groot aantal andere kinderen in een groot huis vol bedienden en vreemde figuren.

Deze kinderen waren de nakomelingen van de hoeren in het bordeel dat naast de burcht lag waarin grootmoeder woonde. Grootmoeder was namelijk geen lief oud dametje, maar een keiharde zakenvrouw die feodaal en met harde hand heerste over de stam die de woestijn ontgroeit was en zich nu in heel Noord-Afrika en Europa gevestigd had. 

Geld, informatie en macht, daar was het imperium van Djeda op gebouwd. Ze had haar meiden er strikt onder en stond op goede voet met de machthebbers van elk regime dat aan het bewind was.

Als Yazid’s vader overlijdt, is hij de nieuwe erfgenaam, alleen weet zijn moeder hem weer bij haar in Algiers, in de rue Darwin te krijgen. Hier groeit Yazid op bij zijn half- broers en -zussen.

Maar nu moeder overleden is, gaat Yazid terug naar de rue Darwin, om de laatste geheimen van zijn jeugd boven water te krijgen.

Boualem Sansal is een heel goede schrijver, hij weet je mee te nemen in die onbekende wereld van woestijnwetten die we niet goed begrijpen en gebeurtenissen die ons vreemd voorkomen. Maar het verhaal, hoewel het niet heel lineair is opgebouwd en wat oplettendheid vereist, laat je niet los. 

Vooral in het begin moet je je aandacht er goed bijhouden, om te weten in welke tijd je zit en op welk moment in het leven van Yazid. Langzaam maar zeker kom je steeds verder in het verhaal en wordt er steeds meer duidelijk. En dan word je steeds meer gegrepen.

Yazid is een hoofdpersoon die geen hoofdpersoon wil zijn, daarvoor is zijn verhaal te zeer verweven met de andere mensen, zijn broers en zussen, zijn familieleden (echt of niet) en de gebeurtenissen in Algerije zelf.

Boualem Sansal heeft uitgesproken ideeën over rechtvaardigheid, tolerantie, goed en kwaad en is vooral zeer kritisch op de onderdrukkende rol die religie kan spelen. Hij is dan ook niet heel erg geliefd bij de huidige machthebbers in Algerije, zijn boeken worden daar niet uitgegeven. Het mooie vind ik dat hij zijn mening en zijn boodschap, want die zit er zeker in, niet door je strot duwt, maar dit juist heel natuurlijk in het verhaal weet te brengen, als een extra laag voor de goede verstaander.

Heel ontroerend is bijvoorbeeld één van de kinderen uit het grote huis die zogenaamd vanwege een ernstige ziekte in Europa was overleden, maar, zoals Yazid in Parijs te weten komt, was uitgestoten omdat men de jongen een schande vond. 

Mooi is dat Yazid terugkeert naar de straat van zijn jeugd om de laatste losse eindjes op te lossen en als dat gedaan is, kan hij eindelijk zijn eigen leven gaan leiden. Yazid loopt niet achter een oude traditie aan, hij volgt geen verstikkende religies maar is een fatsoenlijke man van middelbare leeftijd die het goede wil doen. Geen held die grootste daden verricht, maar gewoon een vriendelijk mens met begrip en mededogen voor zijn medemensen in het algemeen en zijn familie, zijn moeder, in het bijzonder.

Opnieuw een prachtig verhaal van Boualem Sansal.

Originele Franse titel: rue Darwin (2011)
Nederlandse uitgave uitgeverij De Geus (2013)
Nederlandse vertaling: Jan Versteeg
Bladzijdes: 315

vrijdag 9 maart 2018

Kloostertijd

Kloostergang richting de kerk
Het is bijna zes uur in de ochtend en het is nog donker buiten. De sobere kerk waarin de rode bakstenen een warme ondergrond vormen is wel verlicht; een baken in de duisternis. Eén voor één komen de monniken naar binnen, gehuld in hun zwarte kovels, en zij zoeken hun plek in het koor.

De gasten van de abdij zitten op de houten banken met het psalmenboek en het boekje van de dienst bij zich, om de komende drie kwartier mee te kunnen doen. Als het zes uur is, luidt de kerkklok waarop iedereen gaat staan. De metten beginnen.

Vorige week heb ik een aantal dagen doorgebracht in de Abdij van Egmond, een heel bijzondere ervaring.

Geschiedenis Abdij
Al in het begin van de tiende eeuw  was er in Egmond een vrouwenklooster, dat gesticht was door graaf Dirk I van Holland. Rond 950 vond er een wisseling plaats, het vrouwenklooster vertrok ergens anders naar toe en in Egmond kwamen monniken. 

In de eeuwen die volgden werdt het klooster steeds belangrijker en was vooral het scriptorium bekend. Zo werden de beroemde Annalen van Egmond hier geschreven. 

In 1573 viel het klooster echter ten prooi aan de onlusten tussen katholieken en protestanten tijdens de Nederlandse Opstand en het klooster werd door de Geuzen onder leiding van Diederik Sonoy en op bevel van Willem van Oranje in de brand gestoken. De ruïnes zouden tot 1800 blijven liggen.

Nadat in de grondwet van 1848 eindelijk alle religies gelijke rechten hadden gekregen en de katholieke emancipatie in 1853 was begonnen met het pauselijke besluit om weer Nederlandse bisschoppen in te voeren, werd er voorzichtig weer gedacht aan wederopbouw van het klooster van Egmond. 

In de jaren ’20 was er een ambitieus plan voor een gigantisch bouwwerk, maar door het uitbreken van de economische crisis van 1929 kon dit niet doorgaan. In 1935 opende het huidige klooster haar deuren en komen er monniken uit Oosterhout om er te wonen. In 1950 werd de priorij verheven tot Abdij.

Getijden
De Benedictijnse monniken die in Egmond wonen vormen een contemplatieve orde, waarin het koorgebed centraal staat.

Het koorgebed of het getijdengebed is een manier om aan de opdracht van Jezus te voldoen om doorlopend te bidden. Ook neemt het het voorbeeld over van wat de Joden in die dagen van het eerste Christendom deden in hun dagelijkse gebed. 

Omdat het praktisch gezien een beetje lastig is om daadwerkelijk aan één stuk door te bidden, gingen de eerste Christenen ertoe over om de dag te verdelen (volgens de Romeinse tijdsindeling) en hier gebeden aan te koppelen. Dit waren in het begin voornamelijk psalmen, maar hier werden lezingen uit de Bijbel en gebeden aan toegevoegd.

De Heilige Benedictus van Nursia schreef in de zevende eeuw de eerste regel voor kloosterlingen, waaraan de Benedictijnen zich tot op vandaag houden. Hij was ook degene die een schema maakte voor de psalmen, zodat je niet alle 150 psalmen elke dag hoefde te doen, maar ze in een regelmatig schema van een week voorbij kwamen.
De koormantels van de monniken hangen naast de deur van de kerk
In de loop van de eeuwen veranderde er natuurlijk wel iets in het getijdengebed, maar de essentie, het verdelen van de gebeden over de dag, is hetzelfde gebleven, zelfs na de hervormingen van het Tweede Vaticaans Concilie in 1965.

In de Abdij van Egmond bestaat de dagorde uit de volgende diensten
6.00: Lezingendienst (Metten)
7.30 Ochtendviering (Lauden)
9.30 Eucharistieviering
12.30 Middaggebed (Terts)
17.00 Avondgebed (Vespers)
20.00 Dagsluiting (Completen)

Stilte
Stilte en afzondering zijn ook belangrijk voor de monniken. Dit lijkt misschien in tegenspraak met de opdracht van de gastvrijheid die de Abdij ook heel serieus neemt, maar er is een duidelijke afscheiding tussen de gasten en de monniken. Als gast verblijf je in het gastenverblijf en de monniken wonen in het Slot, het Claustrum, waar gasten niet mogen komen.

Als gast wordt je even uitgenodigd om het Claustrum te betreden bij de middagmaaltijd, die gasten en monniken samen gebruiken in de Monnikenrefter. De maaltijden zijn in stilte, tijdens de middagmaaltijd wordt er door een broeder voorgelezen (en nee, niet de nieuwste thriller). Tijdens het ontbijt en de avondmaaltijd is het ook stil bij de gasten onderling. 

Het mooie hiervan is dat je je bewuster bent van je eten, maar ook van wat je buurman of buurvrouw misschien nodig heeft. Zo geef je ongevraagd de boter door, of schenk je nog eens water bij.

In de kloostergangen loop je ook niet te kletsen en ik heb er geen enkele monnik gehoord die even naar een ander riep, of een paar broeders die een gezellig praatje hielden met elkaar. Er is ernst en toewijding en stilte, waarin je probeert om nader tot God te komen.

Wat niet wil zeggen dat de broeders niet vriendelijk zijn, ik heb er in mijn korte tijd een aantal gesproken die heel aardig en belangstellend waren en ook even de tijd namen om met me te praten of me iets uit te leggen. Ik denk trouwens dat er wel veel gelachen wordt in het klooster, al zien wij dat als gasten natuurlijk niet. Maar er heerste beslist geen depressieve of naargeestige indruk, die je soms kunt krijgen op sombere plekken.

Ik vond ook de zorg voor (zeer) oudere broeders heel mooi om te zien. Zij waren duidelijk nog altijd een volwaardig lid van de gemeenschap en op geen enkele manier een ‘last’.
De Abdij vanaf de achterkant gezien, met links de Abdij en rechts de kerk
Praktische informatie
Op de website van de Abdij (HIER) kun je alle informatie vinden als een retraite van een paar dagen in een klooster je wel wat lijkt. Natuurlijk is dit niet het enige klooster waar je terecht kunt, bij veel kloosters bestaat de mogelijkheid om er een of meerdere dagen te verblijven.

Het is wel de bedoeling dat je in Egmond als gast aan de dagorde meedoet, zodat je meedoet in het ritme van het leven van de monniken. Een zeer bijzondere ervaring kan ik jullie vertellen. 

Het lijkt namelijk wel of de tijd anders verloopt in een klooster, alsof de dagen langer strekken. En op een andere manier dan wanneer je op vakantie bent. In het klooster lijk je daadwerkelijk een stukje van de wereld af te staan, waardoor je op een ander spoor zit dan het jachtige gewone leven waarin je zoveel moet en er soms zoveel druk is.

En als je dan weer terug komt in de wereld, blijft die sfeer van rust en stilte bij je. De mooie cadans waarin de monniken de psalmen zingen, bleef nog lang in mijn hoofd zitten en ik voelde me gesterkt en opgeladen door mijn verblijf bij de monniken. Dit was mijn eerste keer in Egmond, maar het zal zeker niet de laatste keer zijn. 

maandag 5 maart 2018

Op zoek naar George, Kim Heijdenrijk

Kleine George werd geboren in 1903. Zijn moeder was dienstmeisje en zijn vader was onbekend, dus kreeg hij haar achternaam: Krul. George en zijn broertjes en zusjes groeiden in de eerste jaren op bij hun opa en oma in een klein huis, eigenlijk alleen één kamer, in een sloppenwijk in Den Haag. 

De woonomstandigheden in deze sloppenwijken waren verschrikkelijk smerig en het is dan ook geen wonder dat er regelmatig een besmettelijke ziekte uitbrak zoals cholera of pokken.

George en zijn broertje Henk kwamen via een katholieke liefdadigheidsstichting in de pleegzorg terecht en werden verhuisd naar een dorp in Brabant. 

Hier bracht George enkele gelukkige jaren door, maar door allerlei omstandigheden kwam hij weer terecht in Den Haag. Niet bij zijn familie, maar in het weeshuis Groenenstein, waar de broeders een schrikbewind voerden om de aan hen toevertrouwde kinderen onder de duim te houden. 

Vanuit Groenenstein stuurde George in 1916 een ansichtkaart naar zijn oom, met de vraag of oom wist waar moeder is.

Het is deze ansichtkaart die de zoektocht naar George in gang zet. Journaliste Kim Heijdenrijk zocht naar informatie over de buurt waarin ze was komen te wonen en wilde meer weten over Groenenstein, dat aan het einde van haar straat had gestaan. Speurend naar meer informatie kwam ze de ansichtkaart tegen en toen werd de zoektocht naar de buurt een zoektocht naar de onbekende jongen die de kaart had geschreven. Kim wilde weten wie hij was, hoe hij in Groenenstein terecht was gekomen en wat er daarna met hem gebeurd was.

Het leven van George beslaat een groot deel van de 20e eeuw. George heeft de uitwassen van de Industriële revolutie meegemaakt, de economische crisis van de jaren ’30, twee wereldoorlogen en de wederopbouw van de jaren ’50. Zijn leven is niet uniek, maar door de geschiedenis van Nederland in die tijd af te zetten tegen het leven van George, krijg je nieuwe inzichten in deze gebeurtenissen. 

Vaak zijn het namelijk gebeurtenissen die je wel kent, maar waarvan je niet altijd beseft wat het voor individuele mensen moet hebben betekend. En dankzij het leven van George raken de gebeurtenissen je nu meer, omdat je weet dat hij het echt heeft meegemaakt.

Naar alle overleveringen was George Krul geen aardige, sympathieke of gezellige man. Hij was nors en gesloten en bezat niet veel sociale vaardigheden, maar als je dit boek leest begrijp je hoe dit komt. Waar had hij die sociale vaardigheden moeten leren? Wie had hem kunnen leren hoe je contact maakt met mensen en een gezellig kletspraatje kunt houden, terwijl het hem aan elke normale opvoeding had ontbroken?

Als lezer leef je heel erg met hem mee en je bent blij voor hem dat hij in zijn leven een aantal periodes had waarin hij ondanks alles gelukkig was. In het pleeggezin in Brabant, tijdens zijn diensttijd bij de Mariniers en in zijn late huwelijk met zijn Jo was George geliefd en gewaardeerd en dat gunde ik hem van harte. Ik vond het verhaal van George intriest en heb meermalen met tranen in mijn ogen verder moeten lezen, maar ik was heel blij dat er toch lichtpuntjes waren.

De keuze om geen uitgebreid noten apparaat of bronnenvermelding in dit boek op te nemen is volkomen begrijpelijk en naar mijn idee ook de juiste keuze geweest. Dan zou het namelijk een stuk minder toegankelijk zijn en waarschijnlijk minder prettig hebben gelezen. In het laatste hoofdstuk geeft Kim Heijdenrijk een keurige verantwoording waar ze dingen heeft ingevuld met enige fantasie en waar ze dit niet heeft gedaan.

Wat ik persoonlijk wel miste, maar dat is omdat ik altijd iets voor me wil zien, was een kaart van Den Haag uit die tijd. Ik ken Den Haag absoluut niet en een aanwijzing als ‘vlakbij de koninklijke stallen’ zegt mij helemaal niks. Maar dat is dan ook het enige kleine minpuntje in dit boek.

Kim Heijdenrijk was zo lief om een exemplaar aan me te geven, ongevraagd en zonder er iets voor terug te verlangen. Dank je wel, Kim, ik heb van het boek genoten.

Ik kan Op zoek naar George alleen maar aanbevelen voor iedereen die meer wil weten over de geschiedenis van Nederland in het algemeen, en het leven van George in het bijzonder. Want beide zijn zeer de moeite waard.

Uitgegeven in 2017 door uitgeverij Water
Bladzijdes: 269

zondag 4 maart 2018

Gedicht op zondag (5/18)

La tombe dit á la rose:
Des pleurs dont l'aube t'arrose
Que fais-tu, fleur des amours?
La rose dit á la tombe:
- Que fais-tu de ce qui tombe
Dans ton gouffre ouvert toujours?

La rose dit: -Tombeau sombre
De ces pleurs je fais dans l'ombre
Un parfum d'ambre et de miel.
La tombe dit: -Fleur plaintive,
De chaque âme qui m'arrive
Je fais un ange du ciel.

De grafkuil zegt: Mijn roosje rood,
de tranen van het ochtendrood.
Wat, liefdesbloem, doe jij daarmee?
Het roosje zegt: Jij grafkuil daar,
wat doe je met de sukkelaar
die in je open muil verdween?

Het roosje zegt: Acht donker gat,
van elke traan die op mij spat
Maak ik parfum, puur en volmaakt.
De grafkuil zegt: Droef bloempje ach,
van elke ziel die hier ooit lag,
heb ik een engeltje gemaakt.

Victor Hugo (Frans schrijver en dichter, 1802-1885)
in de vertaling van Koen Stassijns

vrijdag 2 maart 2018

Museum Soares dos Reis in Porto

In Porto staat een van de oudste musea van Portugal. Dit museum is in 1833 gesticht door de toenmalige koning Pedro IV en was het eerste openbare kunstmuseum van Portugal. In 1911 kreeg het de naam die het nog altijd draagt, dat van de grote en zeer bewonderde Portugese beeldhouwer en kunstenaar Soares dos Reis.

Het museum heeft voornamelijk 19e en 20e eeuwse kunst en er zijn hier niet alleen beeldhouwwerken en schilderijen te bewonderen, maar er is ook keramiek, porselein, zilverwerk en andere mooie voorwerpen.

Bijzonder mooi zijn de verschillende beeldhouwwerken van Soares dos Reis, je begrijpt wel dat de Portugezen trots zijn op deze kunstenaar. Vooral dit kopje vond ik bijzonder treffend en mooi.
Helemaal apart en leuk is de tuin die achter het museum ligt. Dit was een oude wielerbaan als ik het me goed herinner van de gids, en hier zijn allerlei mooie moderne objecten te vinden, maar ook opgravingen van bijvoorbeeld huizen uit de Middeleeuwen. Deze combinatie, met de wilde bloemen die er bloeien is heel bijzonder en mooi.
 

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...